De methode om urine stress vrij te verzamelen bij de kat
om de diagnose cushing te kunnen stellen.
Introductie:
Bij de kat wordt de diagnose cushing af en toe gesteld in een ver gevorderde stadium van de ziekte. In de meeste gevallen werd het alleen gevonden omdat de kat ook diabetes mellites had ontwikkeld (Rijnberk1996). Diabetes mellites is een van de gevolgen van verhoogde corticoïd gehaltes in het bloed. Om deze ernstige metabolische effecten van cushing voor te zijn is het belangrijk om cushing bij de kat in een eerdere stadium te diagnotiseren.
Een gangbare methode om de diagnose cushing te stellen bij de hond is het bepalen van de corticoïd/creatinine ratio in de urine (Rijnberk 1988). Het is echter ook mogelijk deze methode te gebruiken bij de kat (Goossens 1995, Henry 1996).
Echter, bij katten is deze methode gecompliceerder omdat corticoïd gehaltes in de urine in enkele minuten sterk verhoogd kunnen zijn door stress (Bird 1973, Willemse 1993).
Cystocentesis en het leeg masseren van de blaas, twee gangbare methodes om urine te verzamelen bij de kat, kunnen zo stressvol zijn dat hierdoor de corticoïd gehaltes in de urine sterk stijgen.
Een niet stressvolle methode van urine verzamelen is het vervangen van de absorberende kattenbakkorrel voor een niet absorberende kattenbak korrel. De urine kan nu verzameld worden in een voor de kat vertrouwde omgeving zonder stress. Echter om de urine die op deze wijze verkregen is te kunnen gebruiken voor diagnostisch doeleinden is het belangrijk dat de niet absorberende kattenbakkorrels geen effect hebben op de samenstelling van de urine.
Deze studie onderzoekt of katkor invloed heeft op de corticoïd en creatinine gehaltes in de urine en dus de diagnose cushing bij de kat vereenvoudigd.
Materialen en Methoden :
Voor deze proef werden enkele proefkatten van de hoofdafdeling Geneeskunde van Gezelschapsdieren van de Universiteit Utrecht gebruikt. De proefkatten worden gehuisvest in 3 groepen van negen. Om 8.00 uur in de ochtend werden de kattenbakken verwijderd. Om 13.30 werden 14 katten geselecteerd met als criterium de hoeveelheid urine in de blaas. De geselecteerde katten waren tussen de 4 en 7 jaar oud waarvan 7 gecastreerde katers en 7 poezen waarvan onbekend is of ze waren gesteriliseerd. De urinemonsters werd verkregen d.m.v. blaaspunctie of het leeg masseren van de blaas om vervolgens de urine op te zuigen met een injectiespuit. Nadat de urinemonsters van de 14 katten waren verzameld, werd de urinemonster van elke kat verdeeld over een leeg petri-schaaltje en een die gevuld was met katkor. Alle 28 petri-schaaltjes werden weggezet bij kamertemperatuur met minimale belichting. Na 4 uur werd de urinemonsters overgegoten in buisjes. De buisjes werden genummerd van 1 t/m 14 en van 1a t/m 14a. De ''a'' buisjes bevatte de urine die gemengd waren geweest met katkor. De buisjes werden genummerd om aan te geven van welke kat de urine afkomstig was. Deze buisjes werden bewaard in de koelkast, totdat de metingen plaats konden vinden.
De cortisol metingen vonden plaats door middel van een radio-immuno-assay, beschreven volgens Rijnberk et al 1988. De creatinine concentratie werden gemeten volgens de "Jaffé kinetic methode".
Resultaten:
De twee urine monsters werden met elkaar vergeleken volgens de gepaarde studenten t-test met een significantie van P 0.05.
Er was geen significante verschil (P = 0.72) tussen de cortisol concentratie van de urine gemengd met katkor (gemiddeld = 271 nmol/l) en de urine niet gemengd met katkor (gemiddeld = 267 nmol/l) (figuur1). Ook was er geen significant verschil (P = 0.37) tussen de creatinine concentratie van de urine gemengd met katkor (gemiddeld= 19051umol/l) en de urine niet gemengd met katkor (gemiddeld= 18987 umol/l) (figuur 2). De verschillen tussen de corticoïd/creatinine ratio in de urine gemengd met katkor average = 13.36 x 10 -6) en de urine niet gemengd met katkor average = 13.24 x 10 -6) (figuur 3) waren eveneens niet significant verschillend (P=0.81).
| Cat number |
Cortisol (nmol/l) from urine not mixed with katkor |
Cortisol (nmol/l) from urine mixed with katkor |
| 1 |
390 |
437 |
| 2 |
785 |
823 |
| 3 |
232 |
240 |
| 4 |
263 |
218 |
| 5 |
201 |
187 |
| 6 |
21 |
16 |
| 7 |
227 |
260 |
| 8 |
59 |
52 |
| 9 |
93 |
114 |
| 10 |
92 |
93 |
| 11 |
55 |
62 |
| 12 |
288 |
184 |
| 13 |
754 |
812 |
| 14 |
288 |
307 |
Figuur 1. Cortisol concentratie van 14 urine monsters gemengd met Katkor (average 271 nmol/l) en niet gemengd met Katkor (average = 267 nmol/l p = 0.72).
| Cat number |
Creatinine (umol/l) from urine not mixed with katkor |
Creatinine (umol/l) from urine mixed with katkor |
| 1 |
18500 |
18820 |
| 2 |
19180 |
19050 |
| 3 |
19520 |
20090 |
| 4 |
19150 |
19300 |
| 5 |
15540 |
15920 |
| 6 |
9510 |
9430 |
| 7 |
15890 |
16300 |
| 8 |
19550 |
19470 |
| 9 |
23300 |
23190 |
| 10 |
18610 |
18460 |
| 11 |
13190 |
13030 |
| 12 |
23120 |
23150 |
| 13 |
27230 |
27280 |
| 14 |
23530 |
23230 |
Figure 2. Creatinine concentratie van 14 urine monsters gemengd met Katkor
(average 19051 umol/l) en niet gemengd met Katkor (average = 18987 umol/l p=0.37).
| Cat number |
Cortisol / creatinine ratio (x10-6) from urine not mixed with katkor |
Cortisol (nmol/l) from urine (x10-6) from urine not mixed with katkor |
| 1 |
21 |
23 |
| 2 |
41 |
43 |
| 3 |
12 |
12 |
| 4 |
14 |
11 |
| 5 |
13 |
12 |
| 6 |
2.2 |
1.7 |
| 7 |
14 |
16 |
| 8 |
3 |
2.7 |
| 9 |
4 |
4.9 |
| 10 |
4.9 |
5 |
| 11 |
4.2 |
4.8 |
| 12 |
12 |
7.9 |
| 13 |
28 |
30 |
| 14 |
12 |
13 |
Figure 3. Cortisol/Creatinine ratios van 14 urine monsters gemengd met Katkor (average = 13.36 x 10 -6) en urine monsters niet gemengd met Katkor (13.24 x 10 -6 p= 0.81).
De resultaten laten duidelijk zien dat er geen significante verschillen zijn tussen de urine met katkor en de urine zonder. Katkor is niet absorberend en beïnvloed in geen geval de concentraties van corticoïd en creatinine of de corticoïd/creatinine ratio in de urine.
Discussie:
Corticoïd gehaltes in urine kunnen tijdelijk verhoogd zijn doordat katten gevoelig zijn voor stress (Bird 1973, Willemse 1993). In deze studie laat kat nummer twee (figuur 3) zien dat de corticoïd/creatinine ratio te hoog is. Boven een ratio van 36x10-6 wordt gesproken van cushing (Goossens 1995). Deze kat vertoonde echter geen enkele verschijnselen van cushing en daarom is het waarschijnlijk dat de methode van urine verzamelen, verantwoordelijk is voor dit resultaat.
Al hoewel een stressvolle methode gebruikt werd bij het verzamelen van de urine was dit niet van invloed op de vergelijking van de concentraties getest in de twee urine monsters, deze gemengd met en zonder katkor. Onafhankelijk van de oorspronkelijke concentraties corticoïd en creatinine in de urine werd er geen verschillen gevonden tussen de twee groepen.
Het is al eerder vast gesteld dat, als een urine monster verkregen is van een ongestressde kat, het mogelijk is om de diagnose cushing te stellen doormiddel van het bepalen van corticoïd en creatinine concentratie in de urine (Goossens 1995).
Dit is een groot voordeel voor de prakticus omdat cushing moeilijk te diagnotiseren is bij katten. Ook is het aan te raden om urine van katten met diabetes mellites te controleren op cushing. Belangrijk is om stress vrije urine te hebben wat het beste verkregen kan worden in de eigen omgeving van de kat.
On urine te gebruiken voor de diagnose cushing moet het niet verzameld worden door middel van cystocentesis of het leeg masseren van de blaas. Een stress vrije omgeving is noodzakelijk. Deze studie heeft aangetoond; katkor is nu de niet-absorberende kattenbak korrel om urine te verzamelen voor de analyse.
Drs. Mabet de Lange
Geneeskunde van Gezelschapsdieren
Universiteit Utrecht
March 2001
Literature list
Adrenals.
Rijnberk A (1996)
Clinical Endocrinology of Dogs and Cats, pp 61-93.
Ed A Rijnberk. Dordrecht: Kluwer Academic Publishers Group.
The Adrenals.
Bird CE and Clark AF (1973)
Systemic Endocrinology, pp 149-191.
Eds C Ezrin, JO Godden, R Volpe and R Wilson.
Hagerstown: Harper & Row, Publishers, Inc.
Changes in plasma cortisol, corticotropin, and a-melanocyte-stimulating hormone in cats before and after physical restraint and intradermal testing.
Willemse A, Vroom MW, Mol JA and Rijnberk A.
Am J Vet Res 1993; 54:69-72
Assessment of two tests for the diagnosis of canine hyperadrenocorticism.
Rijnberk A, van Wees A and Mol JA.
Vet Rec 1988; 122:178-180
Urinary glucocorticoïd excretion in the diagnosis of feline hyperadrenocorticism.
Goossens MMC, Meyer HP, Voorhout G and Sprang EPM.
Domest Anim Endocrinol 1995; 12:355-362
Urinary cortisol:creatinine ratio in healthy and sick cats.
Henry CJ, Clark TP, Young DW and Spano JS.
J vet Intern Med 1996; 10:123-126
|